Страницы

De Gezangen van Maldoror (Eerste Gezang)

De Gezangen van Maldoror

Eerste Gezang

Strofe 1

Moge de hemel behagen dat de lezer, aangemoedigd en tijdelijk woest geworden zoals wat hij leest, zonder te verdwalen zijn steile en wilde weg vindt, door de troosteloze moerassen van deze donkere en giftige bladzijden; want, tenzij hij in zijn lezing een strenge logica en een geestelijke spanning meebrengt, gelijk aan ten minste zijn wantrouwen, zullen de dodelijke uitwasemingen van dit boek zijn ziel doordrenken zoals water de suiker. Het is niet goed dat iedereen de bladzijden leest die hierop volgen; slechts weinigen zullen deze bittere vrucht zonder gevaar proeven. Daarom, timide ziel, alvorens verder te dringen in zulke onverkende heidevelden, richt je hielen naar achteren en niet naar voren. Luister goed naar wat ik je zeg: richt je hielen naar achteren en niet naar voren, zoals de ogen van een zoon die zich eerbiedig afwendt van de verheven aanschouwing van het moederlijke gelaat; of, liever, zoals een eindeloze hoek van kouwelijke kraanvogels, veel peinzend, die in de winter krachtig door de stilte vliegt, met alle zeilen gespannen, naar een vast punt aan de horizon, vanwaar plotseling een vreemde en krachtige wind waait, voorbode van de storm. De oudste kraanvogel, die alleen de voorhoede vormt, dit ziende, schudt haar hoofd als een verstandig persoon, dientengevolge ook haar snavel, die zij laat klapperen, en is niet tevreden (ik zou het in haar plaats ook niet zijn), terwijl haar oude nek, ontdaan van veren en tijdgenoot van drie generaties kraanvogels, zich beweegt in geïrriteerde golfbewegingen, die de steeds naderende onweersbui voorspellen. Nadat zij kalm meerdere keren naar alle kanten heeft gekeken met ogen vol ervaring, voorzichtig, als eerste (want zij heeft het voorrecht om de veren van haar staart te tonen aan de andere kraanvogels, lager in verstand), met haar waakzame kreet als een melancholische schildwacht, om de gemeenschappelijke vijand af te weren, wendt zij met soepelheid de punt van de geometrische figuur (het is misschien een driehoek, maar men ziet niet de derde zijde die deze merkwaardige trekvogels in de ruimte vormen), hetzij naar bakboord, hetzij naar stuurboord, als een kundig kapitein; en, manoeuvrerend met vleugels die niet groter lijken dan die van een mus, omdat zij niet dom is, kiest zij zo een andere, filosofische en veiligere weg.

Strofe 2

Lezer, het is misschien haat die jij wilt dat ik oproep in het begin van dit werk! Wie zegt jou dat je die niet zult opsnuiven, badend in ontelbare wellusten, zo lang als je wilt, met je trotse, brede en magere neusgaten, terwijl je je op je buik omkeert, gelijk een haai, in de mooie en zwarte lucht, alsof je het belang van deze daad begrijpt en het niet mindere belang van je gerechtvaardigde eetlust, langzaam en majestueus, de rode uitwasemingen? Ik verzeker je, zij zullen de twee vormeloze gaten van je afzichtelijke snuit verblijden, o monster, als je tenminste eerst zorgvuldig drieduizend keer achtereen het vervloekte geweten van de Eeuwige inademt! Je neusgaten, die onmetelijk verwijd zullen zijn van onuitsprekelijke voldoening, van onbeweeglijke extase, zullen niets beters vragen aan de ruimte, die geurig is geworden als van parfums en wierook; want, zij zullen verzadigd zijn van een volmaakt geluk, zoals de engelen die wonen in de pracht en de vrede van de aangename hemelen.


Strofe 3

Ik zal in enkele regels vastleggen hoe Maldoror goed was gedurende zijn eerste jaren, waarin hij gelukkig leefde; dat is gedaan. Hij bemerkte daarna dat hij slecht geboren was: buitengewoon noodlot! Hij verborg zijn karakter zo lang hij kon, gedurende een groot aantal jaren; maar, uiteindelijk, vanwege deze concentratie die hem niet eigen was, steeg het bloed hem elke dag naar het hoofd; totdat, niet langer in staat zo’n leven te verdragen, hij zich vastberaden stortte in de loopbaan van het kwaad… zachte atmosfeer! Wie had dat gedacht! Wanneer hij een klein kind met een rozig gezicht omhelsde, had hij diens wangen met een scheermes willen wegsnijden, en hij zou het zeer vaak gedaan hebben, als Gerechtigheid, met haar lange stoet van straffen, hem er niet telkens van had weerhouden. Hij was geen leugenaar, hij bekende de waarheid en zei dat hij wreed was. Mensen, hebben jullie dat gehoord? Hij durft het nogmaals te zeggen met deze bevende pen! Dus, er is een macht sterker dan de wil… Vloek! Zou de steen zich willen onttrekken aan de wetten van de zwaartekracht? Onmogelijk. Onmogelijk, als het kwaad zich zou willen verbinden met het goede. Dat is wat ik eerder zei.


Strofe 4

Er zijn er die schrijven om menselijke toejuichingen te zoeken, door middel van edele kwaliteiten van het hart die de verbeelding uitvindt of die zij wellicht bezitten. Ik, ik laat mijn genialiteit dienen om de verrukkingen van wreedheid te schilderen! Verrukkingen, niet vluchtig, kunstmatig; maar, die met de mens begonnen zijn, met hem zullen eindigen. Kan genialiteit zich niet verbinden met wreedheid in de geheime besluiten van de Voorzienigheid? Of, omdat men wreed is, kan men dan geen genialiteit bezitten? Men zal het bewijs daarvan zien in mijn woorden; het hangt slechts van jullie af om naar mij te luisteren, als jullie dat willen… Vergeef me, het leek mij alsof mijn haren overeind stonden op mijn hoofd; maar, het is niets, want, met mijn hand ben ik er gemakkelijk in geslaagd ze terug te brengen in hun oorspronkelijke positie. Hij die zingt, beweert niet dat zijn cavatines iets onbekends zijn; integendeel, hij prijst zichzelf erom dat de hooghartige en gemene gedachten van zijn held in alle mensen aanwezig zijn.


Strofe 5

Ik heb, gedurende mijn hele leven, zonder ook maar één uitzondering, de mensen, met hun smalle schouders, dwaze en talrijke daden zien verrichten, hun gelijken zien verdierlijken, en de zielen zien verderven met alle middelen. Zij noemen de motieven van hun handelingen: de roem. Bij het aanschouwen van deze schouwspelen wilde ik lachen zoals de anderen; maar, dat, vreemde nabootsing, was onmogelijk. Ik nam een zakmes, waarvan het lemmet een vlijmscherpe snede had, en sneed mijn vlees open op de plaatsen waar de lippen samenkomen. Een ogenblik dacht ik dat mijn doel bereikt was. Ik keek in een spiegel naar die mond, verminkt door mijn eigen wil! Het was een vergissing! Het bloed, dat overvloedig uit de twee wonden stroomde, verhinderde bovendien te onderscheiden of dit werkelijk het lachen van de anderen was. Maar, na enkele ogenblikken van vergelijking, zag ik duidelijk dat mijn lach niet leek op die van de mensen, dat wil zeggen dat ik niet lachte. Ik heb de mensen gezien, met lelijke hoofden en verschrikkelijke ogen, diep verzonken in de donkere oogkas, de hardheid van de rots overtreffen, de stijfheid van gesmolten staal, de wreedheid van de haai, de brutaliteit van de jeugd, de waanzinnige razernij van misdadigers, de verraad van de huichelaar, de meest buitengewone toneelspelers, de kracht van karakter van priesters, en de wezens, het meest verborgen aan de buitenkant, het koudst van de werelden en de hemel; de moralisten vermoeien om hun hart te doorgronden, en de onverbiddelijke toorn van boven op hen doen neerdalen. Ik heb hen allen tegelijk gezien, nu eens, met de krachtigste vuist gericht naar de hemel, zoals die van een reeds verdorven kind tegen zijn moeder, waarschijnlijk aangespoord door een of andere geest uit de hel, de ogen beladen met een bijtend en tegelijk hatelijk berouw, in een ijzige stilte, niet durvend de brede en ondankbare overpeinzingen uit te spreken die hun borst verborg, zo vol waren zij van onrecht en verschrikking, en de God van barmhartigheid met medelijden bedroeven; dan weer, op elk moment van de dag, vanaf het begin van de kindertijd tot het einde van de ouderdom, ongelooflijke vervloekingen uitstrooiend, die geen gezond verstand hadden, tegen alles wat ademt, tegen henzelf en tegen de Voorzienigheid, vrouwen en kinderen prostituerend, en zo de delen van het lichaam onterend die gewijd zijn aan kuisheid. Dan heffen de zeeën hun wateren op, verzwelgen de planken in hun afgronden; orkanen, aardbevingen werpen de huizen omver; de pest, allerlei ziekten decimeren de biddende families. Maar, de mensen merken het niet. Ik heb hen ook zien blozen, verbleken van schaamte voor hun gedrag op deze aarde; zelden. Stormen, zusters van orkanen; blauwachtig firmament, waarvan ik de schoonheid niet erken; huichelachtige zee, spiegel van mijn hart; aarde, met je geheimzinnige schoot; bewoners van de sferen; heelal in zijn geheel; God, die het met pracht geschapen hebt, jou roep ik aan: toon mij een mens die goed is!... Maar, laat je genade mijn natuurlijke krachten vertienvoudigen; want, bij het zien van dit monster kan ik sterven van verbazing: men sterft om minder.


Strofe 6

Men moet zijn nagels vijftien dagen laten groeien. Oh, hoe zoet is het om brutaal een kind, dat nog niets op de bovenlip heeft, uit zijn bed te rukken, en, met wijdopen ogen, te doen alsof men zachtjes de hand over zijn voorhoofd strijkt, terwijl men zijn mooie haren naar achteren buigt! Dan, plotseling, op het moment dat hij het het minst verwacht, de lange nagels in zijn zachte borst te steken, zodanig dat hij niet sterft; want, als hij stierf, zou men later niet het aanzien van zijn ellende hebben. Vervolgens drinkt men het bloed, de wonden likkend; en, gedurende die tijd, die zo lang zou moeten duren als de eeuwigheid duurt, huilt het kind. Niets is zo goed als zijn bloed, zoals ik zojuist beschreef gewonnen en nog warm, behalve zijn tranen, bitter als zout. Mens, heb je nooit je eigen bloed geproefd, wanneer je per ongeluk je vinger sneed? Hoe goed is dat, nietwaar; want, het heeft geen smaak. Herinner je je bovendien niet dat je op een dag, in je sombere overpeinzingen, je hand, diep uitgehold, naar je zieke gezicht bracht, nat van wat uit je ogen viel; welke hand daarna noodlottig naar de mond ging, die in lange teugen, uit die kelk, trillend als de tanden van de leerling die schuins kijkt naar degene die geboren is om hem te onderdrukken, de tranen dronk? Hoe goed zijn die, nietwaar; want, ze hebben de smaak van azijn. Het lijkt op de tranen van haar die het meest liefheeft; maar, de tranen van het kind smaken beter op de tong. Hij verraadt niet, omdat hij het kwaad nog niet kent: zij die het meest liefheeft verraadt vroeg of laat… ik vermoed het door analogie, hoewel ik niet weet wat vriendschap is, wat liefde is (waarschijnlijk zal ik ze nooit accepteren; althans, niet van het menselijk ras). Dus, aangezien je bloed en je tranen je niet afstoten, voed je, voed je met vertrouwen met de tranen en het bloed van de adolescent. Blinddoek hem, terwijl je zijn sidderende vlees verscheurt; en, na lange uren zijn sublieme kreten te hebben gehoord, gelijk aan de doordringende roggels die in een gevecht de kelen van stervende gewonden uitstoten, dan, je verwijderd hebbend als een lawine, zul je je uit de aangrenzende kamer haasten, en doen alsof je hem te hulp komt. Je zult zijn handen ontbinden, met gezwollen zenuwen en aderen, je zult het zicht teruggeven aan zijn verdwaalde ogen, terwijl je opnieuw zijn tranen en zijn bloed likt. Hoe waarachtig is dan het berouw! De goddelijke vonk die in ons is, en zo zelden verschijnt, toont zich; te laat! Hoe het hart overloopt van het vermogen de onschuldige te troosten aan wie men kwaad heeft gedaan: “Adolescent, die zojuist wrede pijnen hebt geleden, wie heeft toch een misdaad tegen jou kunnen begaan die ik niet weet hoe te benoemen! Ongelukkige die je bent! Hoe moet je lijden! En als je moeder dit wist, zou zij niet dichter bij de dood zijn, zo verafschuwd door de schuldigen, dan ik nu ben. Helaas! Wat is dan goed en kwaad! Is het één en dezelfde zaak waarmee wij woedend onze onmacht tonen, en de passie om het oneindige te bereiken, zelfs met de meest waanzinnige middelen? Of zijn het twee verschillende zaken? Ja… laat het liever één zaak zijn… want, anders, wat zal er van mij worden op de dag des oordeels! Adolescent, vergeef mij; het is degene die voor je edele en heilige gelaat staat, die je botten heeft gebroken en het vlees heeft verscheurd dat op verschillende plaatsen van je lichaam hangt. Is het een waan van mijn zieke verstand, is het een geheim instinct dat niet afhangt van mijn redeneringen, gelijk aan dat van de adelaar die zijn prooi verscheurt, dat mij tot deze misdaad heeft gedreven; en toch, evenzeer als mijn slachtoffer, leed ik! Adolescent, vergeef mij. Zodra wij dit voorbijgaande leven verlaten, wil ik dat wij voor de eeuwigheid verstrengeld zijn; één enkel wezen vormen, mijn mond vastgekleefd aan jouw mond. Zelfs zo zal mijn straf niet volledig zijn. Dan zul jij mij verscheuren, zonder ooit te stoppen, met tanden en nagels tegelijk. Ik zal mijn lichaam tooien met geurige kransen, voor dit verzoenend offer; en wij zullen beiden lijden, ik, omdat ik verscheurd word, jij, omdat je mij verscheurt… mijn mond vastgekleefd aan jouw mond. O adolescent, met blond haar, met zulke zachte ogen, zul je nu doen wat ik je adviseer? Tegen je wil wil ik dat je het doet, en je zult mijn geweten gelukkig maken.” Nadat je zo gesproken hebt, zul je tegelijkertijd een mens kwaad hebben gedaan, en bemind worden door datzelfde wezen: dat is het grootste geluk dat men zich kan voorstellen. Later kun je hem in het ziekenhuis laten opnemen; want, de kreupele zal zijn brood niet kunnen verdienen. Men zal je goed noemen, en lauwerkransen en gouden medailles zullen je blote voeten verbergen, verspreid over het grote graf, met het oude gelaat. O jij, wiens naam ik niet wil schrijven op deze pagina die de heiligheid van de misdaad wijdt, ik weet dat je vergeving immens was als het universum. Maar, ik, ik besta nog steeds!


Strofe 7

Ik heb een pact gesloten met de prostitutie om wanorde te zaaien in de families. Ik herinner mij de nacht die aan deze gevaarlijke verbintenis voorafging. Ik zag voor mij een graf. Ik hoorde een glimworm, groot als een huis, die tot mij zei: “Ik zal je verlichten. Lees het opschrift. Dit hoogste bevel komt niet van mij.” Een wijde lichtgloed, bloedkleurig, bij het zien waarvan mijn kaken klapperden en mijn armen krachteloos neerhingen, verspreidde zich door de lucht tot aan de horizon. Ik leunde tegen een vervallen muur, want ik stond op het punt te vallen, en ik las: “Hier rust een adolescent die stierf aan tering: jullie weten waarom. Bid niet voor hem.” Velen onder de mensen zouden misschien niet zoveel moed hebben gehad als ik. Ondertussen kwam een mooie naakte vrouw aan mijn voeten liggen. Ik, tot haar, met een droevig gezicht: “Je kunt opstaan.” Ik reikte haar de hand waarmee de broedermoordenaar zijn zuster de keel doorsnijdt. De glimworm, tot mij: “Jij, neem een steen en dood haar. — Waarom? zei ik tot hem.” Hij, tot mij: “Pas op voor jezelf; de zwakste, omdat ik de sterkste ben. Deze heet Prostitutie.” Met tranen in de ogen, razernij in het hart, voelde ik een onbekende kracht in mij ontwaken. Ik nam een grote steen; na veel inspanning tilde ik die met moeite op tot de hoogte van mijn borst; ik plaatste hem met mijn armen op mijn schouder. Ik beklom een berg tot aan de top: van daaruit verpletterde ik de glimworm. Zijn kop zonk in de grond ter grootte van een mens; de steen stuiterde op tot de hoogte van zes kerken. Hij viel terug in een meer, waarvan het water een ogenblik zakte, kolkend, terwijl het een immense omgekeerde kegel groef. De rust keerde terug aan de oppervlakte; het bloedkleurige licht scheen niet meer. “Helaas! helaas! riep de mooie naakte vrouw; wat heb je gedaan?” Ik, tot haar: “Ik verkies jou boven hem; omdat ik medelijden heb met de ongelukkigen. Het is niet jouw schuld dat de eeuwige gerechtigheid jou geschapen heeft.” Zij, tot mij: “Op een dag zullen de mensen mij recht doen; meer zeg ik je niet. Laat mij gaan, om mijn oneindige droefheid te verbergen op de bodem van de zee. Alleen jij en de afzichtelijke monsters die wemelen in deze zwarte afgronden, verachten mij niet. Jij bent goed. Vaarwel, jij die mij hebt liefgehad!” Ik, tot haar: “Vaarwel! Nogmaals: vaarwel! Ik zal altijd van je houden!... Vanaf vandaag verlaat ik de deugd.” Daarom, o volkeren, wanneer jullie de winterwind horen klagen over de zee en nabij haar kusten, of boven de grote steden, die al lang om mij rouwen, of door de koude poolgebieden, zeg dan: “Het is niet de geest van God die voorbijgaat: het is slechts de scherpe zucht van de prostitutie, verenigd met het diepe gekreun van de Montevideaan.” Kinderen, ik ben het die dit tot jullie zegt. Dan, vervuld van barmhartigheid, kniel neer; en laat de mensen, talrijker dan de luizen, lange gebeden verrichten.


Strofe 8

Bij het maanlicht, nabij de zee, in de geïsoleerde plekken van het platteland, ziet men, verdiept in bittere overpeinzingen, alle dingen gehuld in gele, onbestemde, fantastische vormen. De schaduw van de bomen, nu eens snel, dan weer langzaam, rent, komt, keert terug, in verschillende gedaanten, platdrukken tegen de grond, zich vastklemmend aan de aarde. Vroeger, toen ik werd meegevoerd op de vleugels van de jeugd, deed dit mij dromen, leek het mij vreemd; nu ben ik eraan gewend. De wind kreunt door de bladeren met zijn lome tonen, en de uil zingt zijn diepe klaagzang, die de haren doet rijzen van hen die hem horen. Dan breken de honden, woedend geworden, hun kettingen, ontsnappen uit de verre boerderijen; zij rennen over het platteland, hier en daar, ten prooi aan waanzin. Plotseling blijven zij staan, kijken naar alle kanten met een wilde onrust, het oog in vuur; en, zoals de olifanten, vóór zij sterven, een laatste blik werpen naar de hemel in de woestijn, wanhopig hun slurf verheffend, hun oren krachteloos latend hangen, zo laten ook de honden hun oren krachteloos hangen, verheffen hun kop, blazen hun verschrikkelijke nek op, en beginnen te blaffen, beurtelings, hetzij als een kind dat schreeuwt van honger, hetzij als een kat met een gewonde buik boven op een dak, hetzij als een vrouw die gaat bevallen, hetzij als een stervende getroffen door de pest in het hospitaal, hetzij als een jong meisje dat een sublieme melodie zingt, tegen de sterren in het noorden, tegen de sterren in het oosten, tegen de sterren in het zuiden, tegen de sterren in het westen; tegen de maan; tegen de bergen, die in de verte lijken op reusachtige rotsen, liggend in het duister; tegen de koude lucht, die zij met volle longen inademen, die de binnenkant van hun neusgaten rood, brandend maakt; tegen de stilte van de nacht; tegen de uilen, wier schuine vlucht hun snuit schampt, een rat of een kikker in de bek dragend, levend voedsel, zoet voor de kleintjes; tegen de hazen, die in een oogwenk verdwijnen; tegen de dief, die op het galop van zijn paard vlucht na een misdaad te hebben gepleegd; tegen de slangen, die de heide doen bewegen, die hun huid doen trillen, hun tanden doen knarsen; tegen hun eigen geblaf, dat henzelf angst aanjaagt; tegen de padden, die zij met een snelle beet van hun kaken verpletteren (waarom zijn zij weggegaan uit het moeras?); tegen de bomen, wier bladeren, zachtjes wiegend, evenzovele mysteries zijn die zij niet begrijpen, die zij met hun vaste, intelligente ogen willen ontrafelen; tegen de spinnen, hangend tussen hun lange poten, die in de bomen klimmen om te ontsnappen; tegen de raven, die overdag niets te eten hebben gevonden, en met vermoeide vleugels terugkeren naar hun nest; tegen de rotsen van de kust; tegen de vuren, die verschijnen aan de masten van onzichtbare schepen; tegen het doffe geluid van de golven; tegen de grote vissen, die, zwemmend, hun zwarte rug laten zien, en dan wegzinken in de afgrond; en tegen de mens, die hen tot slaven maakt. Waarna zij opnieuw over het platteland beginnen te rennen, springend, met hun bebloede poten, over sloten, wegen, velden, grassen en steile stenen heen. Men zou zeggen dat zij door razernij getroffen zijn, op zoek naar een uitgestrekte vijver om hun dorst te lessen. Hun langgerekte gehuil vervult de natuur met afschuw. Wee de verdwaalde reiziger! De vrienden van de kerkhoven zullen zich op hem storten, hem verscheuren, hem opeten, met hun muil waaruit bloed druipt; want, hun tanden zijn niet bedorven. De wilde dieren, niet durvend naderen om deel te nemen aan het maal van vlees, vluchten uit het zicht, bevend. Na enkele uren werpen de honden, uitgeput van het heen en weer rennen, bijna dood, met de tong uit de bek, zich op elkaar, zonder te weten wat zij doen, en verscheuren elkaar in duizend stukken, met een ongelooflijke snelheid. Zij handelen niet zo uit wreedheid. Op een dag zei mijn moeder, met glazige ogen, tot mij: “Wanneer je in je bed ligt, en je de honden hoort blaffen op het platteland, verberg je dan onder je deken, bespot niet wat zij doen: zij hebben een onverzadigbare dorst naar het oneindige, zoals jij, zoals ik, zoals de rest van de mensen, met hun bleke en lange gezichten. Zelfs, ik sta je toe voor het raam te gaan staan om dit schouwspel te aanschouwen, dat vrij subliem is.” Sinds die tijd respecteer ik de wens van de dode. Ik, zoals de honden, voel de behoefte aan het oneindige… Ik kan, ik kan deze behoefte niet bevredigen! Ik ben de zoon van de mens en de vrouw, volgens wat men mij verteld heeft. Dat verbaast mij… ik dacht dat ik meer was! Overigens, wat maakt het mij uit waar ik vandaan kom? Ik, als het van mijn wil had afgehangen, had ik liever de zoon willen zijn van het wijfje van de haai, wier honger bevriend is met stormen, en van de tijger, met zijn erkende wreedheid: ik zou niet zo slecht zijn. Jullie, die naar mij kijken, verwijder je van mij, want mijn adem verspreidt een giftige wind. Niemand heeft nog de groene rimpels van mijn voorhoofd gezien; noch de uitstekende botten van mijn magere gezicht, gelijk aan de graten van een grote vis, of aan de rotsen die de kusten van de zee bedekken, of aan de steile Alpenbergen, die ik vaak beklom, toen ik op mijn hoofd haren van een andere kleur had. En, wanneer ik rond de woningen van de mensen zwerf, tijdens stormachtige nachten, met brandende ogen, de haren gegeseld door de wind van de stormen, geïsoleerd als een steen midden op de weg, bedek ik mijn verwelkte gezicht met een stuk fluweel, zwart als het roet dat de binnenkant van schoorstenen vult: ogen mogen geen getuige zijn van de lelijkheid die het Opperwezen, met een glimlach van machtige haat, op mij heeft gelegd. Elke ochtend, wanneer de zon voor anderen opkomt, vreugde en heilzame warmte verspreidend door heel de natuur, terwijl geen van mijn trekken beweegt, starend naar de ruimte vol duisternis, ineengedoken nabij de bodem van mijn geliefde grot, in een wanhoop die mij bedwelmt als wijn, verbrijzel ik met mijn krachtige handen mijn borst in flarden. Toch voel ik dat ik niet door razernij getroffen ben! Toch voel ik dat ik niet de enige ben die lijdt! Toch voel ik dat ik adem! Als een veroordeelde die zijn spieren test, nadenkend over hun lot, en die spoedig het schavot zal beklimmen, staand, op mijn strozak, met gesloten ogen, draai ik langzaam mijn nek van rechts naar links, van links naar rechts, urenlang; ik val niet stijf dood neer. Van tijd tot tijd, wanneer mijn nek niet langer in dezelfde richting kan draaien, hij stopt, om weer in tegengestelde richting te draaien, kijk ik plotseling naar de horizon, door de schaarse kieren die gelaten zijn door het dichte struikgewas dat de ingang bedekt: ik zie niets! Niets… behalve de vlakten die dansen in wervelingen met de bomen en met de lange rijen vogels die door de lucht trekken. Dat verstoort mijn bloed en mijn hersenen… Wie toch slaat mij op het hoofd met een ijzeren staaf, als een hamer die het aambeeld treft?


Strofe 9

Ik stel mij voor, zonder ontroerd te zijn, met luide stem de ernstige en koude strofe te declameren die jullie zullen horen. Jullie, let op wat zij bevat, en hoed je voor de pijnlijke indruk die zij onvermijdelijk zal achterlaten, als een schandvlek, in jullie verwarde verbeeldingen. Geloof niet dat ik op het punt sta te sterven, want ik ben nog geen skelet, en de ouderdom kleeft niet aan mijn voorhoofd. Laten wij derhalve elke gedachte aan vergelijking met de zwaan, op het moment dat zijn bestaan wegvliegt, terzijde schuiven, en zie voor jullie slechts een monster, waarvan ik blij ben dat jullie het gelaat niet kunnen waarnemen; maar, minder afschuwelijk is het dan zijn ziel. Toch ben ik geen misdadiger… Genoeg hierover. Het is niet lang geleden dat ik de zee opnieuw zag en het dek van schepen betrad, en mijn herinneringen zijn levendig alsof ik haar gisteren verliet. Wees niettemin, als jullie dat kunnen, even kalm als ik, bij deze lezing waarvan ik nu al spijt heb dat ik haar jullie aanbied, en bloos niet bij de gedachte aan wat het menselijk hart is. O octopus, met je zijden blik! jij, wiens ziel onafscheidelijk is van de mijne; jij, de mooiste onder de bewoners van de aardbol, en die heerst over een harem van vierhonderd zuignappen; jij, in wie de zoete, communicatieve deugd en de goddelijke gratiën nobel zetelen, als in hun natuurlijke verblijf, door een gemeenschappelijk akkoord, met een onbreekbare band, waarom ben je niet bij mij, je kwikzilveren buik tegen mijn aluminium borst, beiden zittend op een rots aan de kust, om dit schouwspel te aanschouwen dat ik aanbid!

Oude oceaan, met je kristallen golven, je lijkt proportioneel op die azuurblauwe vlekken die men ziet op de gekneusde rug van scheepsjongens; je bent een immense blauwe plek, aangebracht op het lichaam van de aarde: ik houd van deze vergelijking. Zo laat je, bij je eerste aanblik, een langgerekte zucht van droefheid, die men zou kunnen houden voor het gemurmel van je zachte bries, achter, onuitwisbare sporen achterlatend, over de diep geschokte ziel, en je roept bij je minnaars, zonder dat men het altijd beseft, de ruwe beginjaren van de mens op, waarin hij kennismaakt met de pijn, die hem niet meer verlaat. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, je harmonisch bolvormige gedaante, die het ernstige gelaat van de geometrie verblijdt, herinnert mij maar al te zeer aan de kleine ogen van de mens, gelijk aan die van het zwijn in kleinheid, en aan die van nachtvogels in de circulaire perfectie van de omtrek. Toch heeft de mens zichzelf in alle eeuwen mooi geacht. Ik veronderstel eerder dat de mens slechts uit eigenliefde in zijn schoonheid gelooft; maar, dat hij niet werkelijk mooi is en dat hij daaraan twijfelt; want, waarom kijkt hij met zoveel minachting naar het gelaat van zijn evenbeeld? Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, jij bent het symbool van de identiteit: altijd gelijk aan jezelf. Je varieert niet op een wezenlijke manier, en, als je golven ergens woedend zijn, zijn ze elders, in een andere zone, in de volmaakte kalmte. Jij bent niet zoals de mens, die in de straat blijft staan om twee buldoggen te zien vechten om elkaars nek, maar, die niet stopt wanneer een begrafenisstoet voorbijgaat; die vanochtend toegankelijk is en vanavond slechtgehumeurd; die vandaag lacht en morgen huilt. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, het zou niet onmogelijk zijn dat jij in je schoot toekomstige nuttigheden voor de mens verbergt. Je hebt hem reeds de walvis geschonken. Je laat de gretige ogen van de natuurwetenschappen niet gemakkelijk de duizend geheimen van je innerlijke organisatie raden: je bent bescheiden. De mens prijst zichzelf onophoudelijk, en om futiliteiten. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, de verschillende vissoorten die jij voedt, hebben geen broederschap onderling gezworen. Elke soort leeft apart. De temperamenten en vormen die in elk van hen variëren, verklaren op bevredigende wijze wat aanvankelijk slechts een anomalie lijkt. Zo is het ook met de mens, die niet dezelfde excuses heeft. Als een stuk land bewoond wordt door dertig miljoen mensen, voelen dezen zich verplicht zich niet te bemoeien met het bestaan van hun buren, geworteld als planten op het volgende stuk land. Van groot naar klein, elke mens leeft als een wilde in zijn hol, en komt zelden naar buiten om zijn evenbeeld te bezoeken, eveneens ineengedoken in een ander hol. De grote universele familie van de mensheid is een utopie, waardig aan de middelmatigste logica. Bovendien rijst uit het schouwspel van je vruchtbare borsten de notie van ondankbaarheid; want, men denkt meteen aan die talrijke ouders, ondankbaar genoeg jegens de Schepper, om het fruit van hun ellendige verbintenis te verlaten. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, je materiële grootheid kan alleen worden vergeleken met de maat die men zich vormt van de actieve kracht die nodig was om de totaliteit van je massa te verwekken. Men kan je niet in één oogopslag omvatten. Om je te aanschouwen, moet het oog zijn telescoop draaien, met een continue beweging, naar de vier punten van de horizon, zoals een wiskundige, om een algebraïsche vergelijking op te lossen, verplicht is de verschillende mogelijke gevallen afzonderlijk te onderzoeken, alvorens de moeilijkheid te beslechten. De mens eet voedzame stoffen, en doet andere pogingen, waardig aan een beter lot, om dik te lijken. Laat die aanbiddelijke kikker zich zo veel opblazen als hij wil. Wees gerust, hij zal jouw omvang niet evenaren; dat veronderstel ik althans. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, je wateren zijn bitter. Dat is precies dezelfde smaak als de gal die de kritiek uitstort over de schone kunsten, over de wetenschappen, over alles. Als iemand genie heeft, wordt hij als een idioot voorgesteld; als een ander een mooi lichaam heeft, is het een afschuwelijke gebochelde. Zeker, de mens moet zijn onvolmaaktheid krachtig voelen, waarvan driekwart trouwens aan hemzelf te wijten is, om haar zo te bekritiseren! Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, de mensen zijn, ondanks de voortreffelijkheid van hun methoden, nog niet geslaagd, geholpen door de onderzoeksmiddelen van de wetenschap, om de duizelingwekkende diepte van je afgronden te meten; je hebt er die de langste, zwaarste sondes ontoegankelijk hebben bevonden. Voor de vissen… dat is hun toegestaan: niet voor de mensen. Vaak heb ik mij afgevraagd wat het gemakkelijkst te doorgronden was: de diepte van de oceaan of de diepte van het menselijk hart! Vaak, met de hand aan het voorhoofd, staand op schepen, terwijl de maan onregelmatig tussen de masten wiegde, betrapte ik mijzelf, alles negerend wat niet het doel was dat ik nastreefde, mij inspannend om dit moeilijke probleem op te lossen! Ja, wat is dieper, wat is ondoordringbaarder van de twee: de oceaan of het menselijk hart? Als dertig jaar levenservaring de weegschaal enigszins naar een van beide oplossingen kan doen overhellen, mag ik zeggen dat, ondanks de diepte van de oceaan, deze zich niet kan meten, wat deze eigenschap betreft, met de diepte van het menselijk hart. Ik heb omgang gehad met mensen die deugdzaam waren. Zij stierven op zestigjarige leeftijd, en niemand liet na te roepen: “Zij hebben goed gedaan op deze aarde, dat wil zeggen dat zij liefdadigheid beoefenden: dat is alles, het is niet slim, iedereen kan dat.” Wie zal begrijpen waarom twee geliefden die elkaar gisteren nog vereerden, vanwege een verkeerd begrepen woord, uiteengaan, de een naar het oosten, de ander naar het westen, met de stekels van haat, wraak, liefde en berouw, en elkaar niet meer terugzien, elk gehuld in zijn eenzame trots? Het is een wonder dat zich elke dag herhaalt en niet minder wonderbaarlijk is. Wie zal begrijpen waarom men niet alleen geniet van de algemene tegenslagen van zijn gelijken, maar ook van de specifieke van zijn dierbaarste vrienden, terwijl men er tegelijk door bedroefd is? Een onbetwistbaar voorbeeld om de reeks te besluiten: de mens zegt huichelachtig ja en denkt nee. Daarom hebben de biggen van de mensheid zoveel vertrouwen in elkaar en zijn ze niet egoïstisch. De psychologie heeft nog veel vooruitgang te boeken. Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, jij bent zo machtig, dat de mensen dat tot hun eigen schade hebben ondervonden. Zij mogen alle hulpmiddelen van hun genialiteit aanwenden… onmachtig om jou te overheersen. Zij hebben hun meester gevonden. Ik zeg dat zij iets hebben gevonden dat sterker is dan zij. Dat iets heeft een naam. Die naam is: de oceaan! De angst die jij hun inboezemt is zodanig, dat zij jou respecteren. Desondanks laat jij hun zwaarste machines dansen met gratie, elegantie en gemak. Jij laat hen gymnastische sprongen maken tot aan de hemel, en bewonderenswaardige duiken tot in de diepte van je domeinen: een acrobaat zou er jaloers op zijn. Gelukkig zijn zij, wanneer jij hen niet voorgoed opslokt in je bruisende plooien, om zonder spoorweg, in je waterige ingewanden, te zien hoe het met de vissen gaat, en vooral hoe het met henzelf gaat. De mens zegt: “Ik ben intelligenter dan de oceaan.” Dat is mogelijk; het is zelfs vrij waar; maar de oceaan is voor hem vreeswekkender dan hij voor de oceaan: dat hoeft niet bewezen te worden. Deze observerende patriarch, tijdgenoot van de eerste tijdperken van onze hangende aardbol, glimlacht meewarig, wanneer hij getuige is van de zeeslagen van de naties. Zie daar een honderdtal leviathans, voortgekomen uit de handen van de mensheid. De nadrukkelijke bevelen van de oversten, de kreten van de gewonden, de kanonschoten, het is lawaai dat expres gemaakt is om enkele seconden te vernietigen. Het lijkt erop dat het drama voorbij is, en dat de oceaan alles in zijn buik heeft gestopt. De muil is formidabel. Hij moet groot zijn naar beneden, in de richting van het onbekende! Om deze stompzinnige komedie, die zelfs niet interessant is, te bekronen, ziet men, midden in de lucht, een ooievaar, vertraagd door vermoeidheid, die begint te roepen, zonder de spanwijdte van zijn vlucht te stoppen: “Kijk eens aan!… ik vind het vervelend! Er waren daar beneden zwarte punten; ik sloot mijn ogen: ze zijn verdwenen.” Ik groet je, oude oceaan!

Oude oceaan, o grote vrijgezel, wanneer jij de plechtige eenzaamheid van je flegmatieke rijken doorkruist, beroem je je terecht op je natuurlijke pracht, en op de ware lofprijzingen die ik mij haast je te geven. Wellustig gewiegd door de zachte stromingen van je majestueuze traagheid, die het meest grootse is onder de eigenschappen waarmee de soevereine macht je heeft begunstigd, ontrol je, te midden van een somber mysterie, over je gehele sublieme oppervlak, je onvergelijkbare golven, met het kalme besef van je eeuwige kracht. Zij volgen elkaar parallel, gescheiden door korte tussenpozen. Nauwelijks neemt de ene af, of een andere groeit haar tegemoet, vergezeld van het melancholieke geluid van het schuim dat smelt, om ons te waarschuwen dat alles schuim is. (Zo sterven de mensen, deze levende golven, een voor een, op een monotone wijze; maar, zonder een schuimend geluid achter te laten). De trekvogel rust op hen met vertrouwen, en laat zich over aan hun bewegingen, vol van een trotse gratie, totdat de botten van zijn vleugels hun gebruikelijke kracht hebben hervonden om de luchtpelgrimage voort te zetten. Ik zou willen dat de majesteit van de mens slechts de belichaming was van de weerspiegeling van de jouwe. Ik vraag veel, en deze oprechte wens is glorieus voor jou. Je morele grootheid, beeld van het oneindige, is immens als de overpeinzing van de filosoof, als de liefde van de vrouw, als de goddelijke schoonheid van de vogel, als de meditaties van de dichter. Jij bent mooier dan de nacht. Antwoord mij, oceaan, wil je mijn broer zijn? Beweeg je met heftigheid… meer… nog meer, als je wilt dat ik je vergelijk met de wraak van God; strek je bleke klauwen uit, een weg banend over je eigen borst… dat is goed. Ontrol je angstaanjagende golven, afschuwelijke oceaan, door mij alleen begrepen, en voor wie ik val, geknield aan je voeten. De majesteit van de mens is geleend; hij zal mij niet imponeren: jij wel. Oh! wanneer jij voortschrijdt, met hoge en verschrikkelijke kam, omringd door je kronkelende plooien als door een hof, magnetiserend en woest, je golven over elkaar heen rollend, met het besef van wat je bent, terwijl je, uit de diepten van je borst, als overweldigd door een intens berouw dat ik niet kan ontdekken, dat doffe, eeuwige gebrul uitstoot dat de mensen zo vrezen, zelfs wanneer zij je aanschouwen, in veiligheid, bevend op de kust, dan zie ik dat mij niet het eminente recht toekomt mij jouw gelijke te noemen. Daarom zou ik, in het aangezicht van je superioriteit, al mijn liefde aan je geven (en niemand weet de hoeveelheid liefde die mijn verlangens naar het schone bevatten), als je mij niet pijnlijk deed denken aan mijn gelijken, die met jou het meest ironische contrast vormen, de meest potsierlijke antithese die ooit in de schepping is gezien: ik kan je niet liefhebben, ik haat je. Waarom keer ik voor de duizendste keer terug naar jou, naar je vriendelijke armen, die zich openen, om mijn brandende voorhoofd te strijken, dat de koorts voelt verdwijnen bij hun aanraking! Ik ken je verborgen lot niet; alles wat jou betreft interesseert mij. Zeg mij dan of jij de woonplaats bent van de prins der duisternis. Zeg het mij… zeg het mij, oceaan (alleen aan mij, om hen niet te bedroeven die nog slechts illusies hebben gekend), en of de adem van Satan de stormen veroorzaakt die je zoute wateren opheffen tot aan de wolken. Je moet het mij zeggen, want ik zou mij verheugen te weten dat de hel zo dicht bij de mens is. Ik wil dat dit de laatste strofe van mijn aanroeping is. Daarom, nog één enkele keer, wil ik je groeten en afscheid van je nemen! Oude oceaan, met je kristallen golven… Mijn ogen vullen zich met overvloedige tranen, en ik heb niet de kracht om verder te gaan; want, ik voel dat het moment is gekomen om terug te keren onder de mensen, met hun brute voorkomen; maar… moed! Laten wij een grote inspanning doen, en met het gevoel van plicht onze bestemming op deze aarde vervullen. Ik groet je, oude oceaan!


Strofe 10

Men zal mij niet zien, in mijn laatste uur (ik schrijf dit op mijn sterfbed), omringd door priesters. Ik wil sterven, gewiegd door de golf van de stormachtige zee, of staand op de berg… de ogen omhoog, nee: ik weet dat mijn vernietiging volledig zal zijn. Trouwens, ik zou geen genade te hopen hebben. Wie opent de deur van mijn grafkamer? Ik had gezegd dat niemand mocht binnengaan. Wie je ook bent, verwijder je; maar, als je meent enig teken van pijn of vrees te bespeuren op mijn hyenagezicht (ik gebruik deze vergelijking, hoewel de hyena mooier is dan ik, en aangenamer om te zien), laat je niet misleiden: laat hem naderen. Wij bevinden ons in een winternacht, waarin de elementen van alle kanten op elkaar botsen, waarin de mens bang is, en waarin de adolescent een misdaad beraamt tegen een van zijn vrienden, als hij is zoals ik was in mijn jeugd. Laat de wind, wiens klagende gefluit de mensheid bedroeft sinds de wind, de mensheid bestaan, enkele ogenblikken vóór de laatste doodsstrijd, mij dragen op de beenderen van zijn vleugels, door de wereld heen, ongeduldig voor mijn dood. Ik zal nog in het geheim genieten van de talrijke voorbeelden van menselijke slechtheid (een broer houdt ervan, onzichtbaar, de daden van zijn broeders te aanschouwen). De adelaar, de raaf, de onsterfelijke pelikaan, de wilde eend, de trekkraan, wakend, rillend van de kou, zullen mij zien voorbijgaan in het licht van de bliksems, een afschuwelijk en tevreden spook. Zij zullen niet weten wat het betekent. Op de aarde zullen de adder, het dikke oog van de pad, de tijger, de olifant; in de zee de walvis, de haai, de hamerhaai, de vormeloze rog, de tand van de poolrob, zich afvragen wat deze afwijking van de wet van de natuur is. De mens, bevend, zal zijn voorhoofd tegen de grond drukken, te midden van zijn gekreun. “Ja, ik overtref jullie allen met mijn aangeboren wreedheid, wreedheid die ik niet heb kunnen uitwissen. Is dat de reden waarom jullie je voor mij in deze vernedering tonen? of is het omdat jullie mij zien dwalen, een nieuw verschijnsel, als een angstaanjagende komeet, door de bebloede ruimte? (Er valt een regen van bloed van mijn uitgestrekte lichaam, gelijk aan een zwartachtige wolk die de orkaan voor zich uit drijft.) Vrees niets, kinderen, ik wil jullie niet vervloeken. Het kwaad dat jullie mij hebben aangedaan is te groot, te groot het kwaad dat ik jullie heb aangedaan, om opzettelijk te zijn. Jullie hebben je eigen weg bewandeld, ik de mijne, beide gelijk, beide verdorven. Noodzakelijkerwijs moesten wij elkaar ontmoeten, in deze gelijkenis van karakter; de schok die daaruit voortvloeide is ons wederzijds fataal geweest.” Dan zullen de mensen geleidelijk hun hoofd opheffen, moed vattend, om te zien wie zo spreekt, hun nek strekkend als een slak. Plotseling zal hun brandende, ontredderde gezicht, de verschrikkelijkste passies tonend, zo vertrekken dat de wolven bang worden. Zij zullen tegelijk opspringen als een immense veer. Welke vervloekingen! welk verscheuren van stemmen! Zij hebben mij herkend. Zie, de dieren van de aarde voegen zich bij de mensen, laten hun bizarre kreten horen. Geen wederzijdse haat meer; de twee haatgevoelens zijn gericht op de gemeenschappelijke vijand, mij; men nadert elkaar door een universele instemming. Winden, die mij dragen, til mij hoger op; ik vrees verraad. Ja, laten wij geleidelijk verdwijnen uit hun ogen, opnieuw getuige van de gevolgen van passies, volledig bevredigd… Ik dank je, o rhinolophus, dat je mij hebt gewekt met de beweging van je vleugels, jij, wiens neus bekroond is met een kam in de vorm van een hoefijzer: ik merk immers dat het helaas slechts een voorbijgaande ziekte was, en ik voel met afschuw dat ik herboren word tot het leven. Sommigen zeggen dat je naar mij toe kwam om het beetje bloed te zuigen dat zich in mijn lichaam bevindt: waarom is deze veronderstelling niet de werkelijkheid!


Strofe 11

Een familie omringt een lamp die op de tafel staat:

— Mijn zoon, geef mij de schaar die op die stoel ligt.

— Die is daar niet, moeder.

— Ga hem dan halen in de andere kamer. Herinner je je die tijd, mijn lieve meester, toen wij wensen deden om een kind te krijgen, waarin wij een tweede keer geboren zouden worden, en dat de steun van onze ouderdom zou zijn?

— Ik herinner het mij, en God heeft ons verhoord. Wij hebben geen reden om te klagen over ons lot op deze aarde. Elke dag zegenen wij de Voorzienigheid voor haar weldaden. Onze Eduard bezit alle gratiën van zijn moeder.

— En de mannelijke kwaliteiten van zijn vader.

— Hier is de schaar, moeder; ik heb hem eindelijk gevonden.

Hij hervat zijn werk… Maar, iemand heeft zich bij de voordeur gemeld, en aanschouwt, enkele ogenblikken lang, het tafereel dat zich aan zijn ogen aanbiedt:

— Wat betekent dit schouwspel! Er zijn veel mensen die minder gelukkig zijn dan dezen. Welke redenering maken zij om van het bestaan te houden? Verwijder je, Maldoror, van deze vredige haard; jouw plaats is hier niet.

Hij heeft zich teruggetrokken!

— Ik weet niet hoe het komt; maar, ik voel de menselijke vermogens die strijd leveren in mijn hart. Mijn ziel is onrustig, en zonder te weten waarom; de atmosfeer is zwaar.

— Vrouw, ik ervaar dezelfde indrukken als jij; ik vrees dat ons een ongeluk zal overkomen. Laten wij vertrouwen hebben in God; in Hem is de hoogste hoop.

— Moeder, ik kan nauwelijks ademen; ik heb hoofdpijn.

— Jij ook, mijn zoon! Ik zal je voorhoofd en slapen bevochtigen met azijn.

— Nee, goede moeder…

Zie, hij leunt met zijn lichaam tegen de rugleuning van de stoel, vermoeid.

— Iets keert zich in mij om, wat ik niet kan verklaren. Nu ergert het kleinste voorwerp mij.

— Wat ben je bleek! Het einde van deze wake zal niet voorbijgaan zonder dat een noodlottige gebeurtenis ons allen drieën in het meer van wanhoop stort! Ik hoor in de verte langgerekte kreten van de meest schrijnende pijn.

— Mijn zoon!

— Ah! moeder!… ik ben bang!

— Zeg mij snel of je pijn hebt.

— Moeder, ik heb geen pijn… Ik spreek niet de waarheid.

De vader komt niet terug van zijn verbazing:

— Dat zijn kreten die men soms hoort, in de stilte van sterrenloze nachten. Hoewel wij deze kreten horen, is degene die ze uitstoot niet dichtbij; want, men kan dit gekreun op drie mijl afstand horen, meegevoerd door de wind van de ene stad naar de andere. Men had mij vaak over dit fenomeen verteld; maar, ik had nooit de kans gehad om zelf de waarheid ervan te beoordelen. Vrouw, jij sprak over ongeluk; als er een reëler ongeluk bestond in de lange spiraal van de tijd, dan is het het ongeluk van degene die nu de slaap van zijn gelijken verstoort…

Ik hoor in de verte langgerekte kreten van de meest schrijnende pijn.

— Moge de hemel verhoeden dat zijn geboorte geen ramp is voor zijn land, dat hem uit zijn schoot heeft verstoten. Hij trekt van land tot land, overal verafschuwd. Sommigen zeggen dat hij sinds zijn kindertijd gebukt gaat onder een soort oorspronkelijke waanzin. Anderen menen te weten dat hij een extreme en instinctieve wreedheid bezit, waarvoor hij zichzelf schaamt, en dat zijn ouders eraan zijn gestorven van verdriet. Er zijn er die beweren dat men hem in zijn jeugd met een bijnaam heeft gebrandmerkt; dat hij de rest van zijn bestaan inconsolabel is gebleven, omdat zijn gekrenkte waardigheid daarin een flagrant bewijs zag van de slechtheid van de mensen, die zich in de eerste jaren toont, om daarna toe te nemen. Die bijnaam was de vampier!…

Ik hoor in de verte langgerekte kreten van de meest schrijnende pijn.

— Zij voegen eraan toe dat, dag en nacht, zonder rust of onderbreking, verschrikkelijke nachtmerries hem bloed doen spuwen uit mond en oren; en dat spoken aan het hoofdeinde van zijn bed zitten, en hem in het gezicht werpen, ondanks henzelf gedreven door een onbekende kracht, nu eens met zachte stem, dan weer met een stem gelijk aan het gebrul van veldslagen, met een onverbiddelijke volharding, die altijd levendige, altijd afschuwelijke bijnaam, die pas met het universum zal vergaan. Sommigen hebben zelfs beweerd dat de liefde hem in deze staat heeft gebracht; of dat deze kreten getuigen van berouw over een misdaad, begraven in de nacht van zijn mysterieuze verleden. Maar de meesten denken dat een onmetelijke trots hem kwelt, zoals ooit Satan, en dat hij God zou willen evenaren…

Ik hoor in de verte langgerekte kreten van de meest schrijnende pijn.

— Mijn zoon, dit zijn uitzonderlijke vertrouwelijkheden; ik heb medelijden met je leeftijd dat je ze hebt gehoord, en ik hoop dat je die man nooit zult navolgen.

— Spreek, o mijn Eduard; antwoord dat je die man nooit zult navolgen.

— O moeder, geliefde, aan wie ik mijn leven dank, ik beloof je, als de heilige belofte van een kind enige waarde heeft, dat ik die man nooit zal navolgen.

— Dat is perfect, mijn zoon; men moet zijn moeder gehoorzamen, in alles.

Men hoort de kreten niet meer.

— Vrouw, heb je je werk af?

— Er ontbreken nog een paar steken aan dit hemd, hoewel we de wake al erg laat hebben verlengd.

— Ik heb ook een begonnen hoofdstuk niet afgemaakt. Laten wij profiteren van de laatste flikkeringen van de lamp; want, er is bijna geen olie meer, en laten wij elk ons werk voltooien…

Het kind heeft uitgeroepen:

— Als God ons laat leven!

— Stralende engel, kom tot mij; je zult door de wei wandelen, van de ochtend tot de avond; je zult niet werken. Mijn schitterende paleis is gebouwd met muren van zilver, zuilen van goud en poorten van diamant. Je zult gaan slapen wanneer je wilt, op de klanken van hemelse muziek, zonder je gebed te doen. Wanneer ’s ochtends de zon zijn schitterende stralen toont en de vrolijke leeuwerik haar kreet met zich meevoert, eindeloos ver de lucht in, kun je nog in bed blijven, tot het je verveelt. Je zult lopen op de kostbaarste tapijten; je zult voortdurend omhuld zijn door een atmosfeer, samengesteld uit de geurige essences van de meest welriekende bloemen.

— Het is tijd om lichaam en geest te laten rusten. Sta op, moeder van het gezin, op je gespierde enkels. Het is rechtvaardig dat je verstijfde vingers de naald van het overdreven werk loslaten. Extremen deugen nergens voor.

— Oh! hoe zoet zal jouw bestaan zijn! Ik zal je een betoverde ring geven; wanneer je de robijn omdraait, zul je onzichtbaar worden, zoals de prinsen in sprookjes.

— Berg je dagelijkse wapens op in de beschermende kast, terwijl ik aan mijn kant mijn zaken orden.

— Wanneer je hem terugzet in zijn gewone positie, zul je weer verschijnen zoals de natuur je gevormd heeft, o jonge tovenaar. Dit, omdat ik van je houd en ernaar streef je gelukkig te maken.

— Ga weg, wie je ook bent; pak mij niet bij de schouders.

— Mijn zoon, val niet in slaap, gewiegd door de dromen van de kindertijd: het gemeenschappelijke gebed is nog niet begonnen en je kleren zijn nog niet zorgvuldig op een stoel gelegd… Op je knieën! Eeuwige Schepper van het universum, jij toont je onuitputtelijke goedheid zelfs in de kleinste dingen.

— Houd je dan niet van de heldere beekjes, waar duizenden kleine vissen glijden, rood, blauw en zilver? Je zult ze vangen met een net zo mooi, dat het ze vanzelf aantrekt, tot het vol is. Vanaf de oppervlakte zul je glanzende kiezelstenen zien, gepolijster dan marmer.

— Moeder, zie die klauwen; ik wantrouw hem; maar mijn geweten is kalm, want ik heb niets te verwijten.

— Jij ziet ons, geknield aan je voeten, overweldigd door het besef van je grootheid. Als een hoogmoedige gedachte zich in onze verbeelding dringt, werpen wij die onmiddellijk weg met het speeksel van verachting en offeren wij haar aan jou zonder vergeving.

— Je zult je erin baden met kleine meisjes, die je met hun armen zullen omhelzen. Eenmaal uit het bad zullen zij je kronen vlechten van rozen en anjers. Zij zullen transparante vlindervleugels hebben en haren van een golvende lengte, die zweven rond de vriendelijkheid van hun voorhoofd.

— Al was je paleis mooier dan kristal, ik zou dit huis niet verlaten om je te volgen. Ik denk dat je slechts een bedrieger bent, omdat je zo zachtjes tot mij spreekt, uit angst gehoord te worden. Je ouders verlaten is een slechte daad. Ik zou geen ondankbare zoon zijn. Wat je kleine meisjes betreft, zij zijn niet zo mooi als de ogen van mijn moeder.

— Ons hele leven is opgegaan in lofzangen op jouw glorie. Zoals wij tot nu toe waren, zo zullen wij zijn, tot het moment dat wij van jou het bevel ontvangen deze aarde te verlaten.

— Zij zullen je bij het minste teken gehoorzamen en alleen denken aan jouw plezier. Als je de vogel wenst die nooit rust, zullen zij hem je brengen. Als je de sneeuwkoets wenst, die in een oogwenk naar de zon reist, zullen zij hem je brengen. Wat zouden zij je niet brengen! Zij zouden je zelfs de vlieger brengen, groot als een toren, die verborgen is in de maan, en waaraan met zijden draden vogels van allerlei soort hangen. Pas op voor jezelf… luister naar mijn raad.

— Doe wat je wilt; ik wil het gebed niet onderbreken om hulp te roepen. Hoewel je lichaam verdampt wanneer ik het wil wegduwen, weet dat ik je niet vrees.

— Voor jou is niets groot, behalve de vlam die uit een zuiver hart opstijgt.

— Overweeg wat ik je heb gezegd, als je geen spijt wilt krijgen.

— Hemelse Vader, bezweer, bezweer de rampen die op onze familie kunnen neerdalen.

— Wil je dan niet vertrekken, boze geest?

— Behoud deze geliefde echtgenote, die mij in mijn ontmoedigingen heeft getroost…

— Omdat je mij weigert, zal ik je doen huilen en je tanden doen knarsen als een gehangene.

— En deze liefhebbende zoon, wiens kuise lippen zich nauwelijks openen voor de kussen van de dageraad van het leven.

— Moeder, hij wurgt mij… Vader, help mij… Ik kan niet meer ademen… Jullie zegen!

Een immense kreet van ironie steeg op in de lucht. Zie hoe de adelaars, verdoofd, uit de hoge wolken vallen, tollend om zichzelf, letterlijk getroffen door de luchtkolom.

— Zijn hart klopt niet meer… En zij is dood, tegelijk met de vrucht van haar schoot, een vrucht die ik niet meer herken, zo verminkt is hij… Mijn echtgenote!… Mijn zoon!… Ik herinner mij een verre tijd waarin ik echtgenoot en vader was.

Hij had zich gezegd, bij het tafereel dat zich aan zijn ogen voordeed, dat hij deze onrechtvaardigheid niet zou verdragen. Als het vermogen dat hem door de helse geesten is verleend, of liever dat hij uit zichzelf haalt, doeltreffend is, zou dit kind, vóór het einde van de nacht, niet meer zijn.


Strofe 12

Hij die niet weet hoe te huilen (want hij heeft altijd het lijden naar binnen gedreven) merkte dat hij zich in Noorwegen bevond. Op de Faeröer-eilanden was hij getuige van het zoeken naar nesten van zeevogels, in steile kloven, en verwonderde zich erover dat het touw van driehonderd meter, dat de verkenner boven de afgrond houdt, met zoveel stevigheid was gekozen. Hij zag daarin, wat men ook zegge, een treffend voorbeeld van menselijke goedheid, en hij kon zijn ogen niet geloven. Als het aan hem had gelegen om het touw klaar te maken, zou hij op meerdere plaatsen inkepingen hebben gemaakt, zodat het zou breken, en de jager in de zee zou storten! Op een avond begaf hij zich naar een kerkhof, en de adolescenten die plezier vinden in het schenden van de lijken van mooie, onlangs gestorven vrouwen, konden, als zij dat wilden, de volgende conversatie horen, verloren in het tafereel van een handeling die zich tegelijkertijd zal ontvouwen.

— Is het niet zo, doodgraver, dat je met mij wilt spreken? Een potvis stijgt langzaam op uit de diepte van de zee, en toont zijn kop boven de wateren, om het schip te zien dat door deze eenzame streken vaart. Nieuwsgierigheid werd geboren met het universum.

— Vriend, het is mij onmogelijk gedachten met je uit te wisselen. Al lang laten de zachte stralen van de maan het marmer van de graven glanzen. Het is het stille uur waarin menig mens droomt dat hij geketende vrouwen ziet verschijnen, hun lijkwaden meeslepend, bedekt met bloedvlekken, als een zwarte hemel met sterren. Hij die slaapt slaakt kreten, gelijk aan die van een ter dood veroordeelde, totdat hij ontwaakt, en merkt dat de werkelijkheid driemaal erger is dan de droom. Ik moet deze kuil afmaken met mijn onvermoeibare spade, zodat hij morgenochtend klaar is. Om serieus werk te verrichten, mag men niet twee dingen tegelijk doen.

— Hij denkt dat het graven van een kuil serieus werk is! Jij denkt dat het graven van een kuil serieus werk is!

— Wanneer de wilde pelikaan besluit zijn borst aan zijn jongen te laten verslinden, met als enige getuige degene die zulk een liefde schiep om de mens te beschamen, hoewel het offer groot is, is die daad begrijpelijk. Wanneer een jongeman ziet hoe een vrouw, die hij verafgoodde, in de armen van zijn vriend ligt, steekt hij een sigaar op; hij verlaat het huis niet, en knoopt een onlosmakelijke vriendschap met de pijn; die daad is begrijpelijk. Wanneer een intern-leerling in een lyceum, jarenlang, die eeuwen zijn, van ochtend tot avond en van avond tot de volgende dag, wordt beheerst door een uitgestotene van de beschaving, die voortdurend zijn ogen op hem gericht houdt, voelt hij de tumultueuze golven van een levendige haat, als dikke rook opstijgend naar zijn brein, dat op barsten lijkt te staan. Vanaf het moment dat men hem in de gevangenis wierp, tot dat, dat nadert, waarop hij eruit zal komen, vergeelt een intense koorts zijn gezicht, trekt zijn wenkbrauwen samen, en holt zijn ogen uit. ’s Nachts denkt hij na, omdat hij niet wil slapen. Overdag zweeft zijn gedachte boven de muren van het huis van verdwazing uit, totdat hij ontsnapt, of men hem als een pestlijder verstoot uit dat eeuwige klooster; die daad is begrijpelijk. Het graven van een kuil overtreft vaak de krachten van de natuur. Hoe wil je, vreemdeling, dat de houweel deze aarde beweegt, die ons eerst voedt, en dan een gerieflijk bed biedt, beschut tegen de winterwind die woest blaast in deze koude streken, wanneer degene die de houweel vasthoudt, met zijn bevende handen, na de hele dag krampachtig de wangen van de voormalige levenden te hebben betast die zijn rijk binnengaan, ’s avonds voor zich, in vlammende letters geschreven op elk houten kruis, de formulering ziet van het angstaanjagende probleem dat de mensheid nog niet heeft opgelost: de sterfelijkheid of onsterfelijkheid van de ziel. De schepper van het universum, ik heb hem altijd mijn liefde bewaard; maar, als wij na de dood niet meer zullen bestaan, waarom zie ik dan, de meeste nachten, elk graf opengaan, en de bewoners zachtjes de loden deksels optillen, om frisse lucht te ademen?

— Stop met je werk. De emotie rooft je krachten; je lijkt zwak als een riet; het zou grote dwaasheid zijn om door te gaan. Ik ben sterk; ik zal jouw plaats innemen. Jij, ga opzij; je zult mij raad geven, als ik het niet goed doe.

— Wat zijn zijn armen gespierd, en wat een plezier is het om hem de aarde zo gemakkelijk te zien spitten!

— Laat geen nutteloze twijfel je gedachten kwellen: al deze graven, die verspreid zijn over een kerkhof, als bloemen in een weide, een vergelijking die aan waarheid ontbreekt, zijn waardig om gemeten te worden met het serene kompas van de filosoof. Gevaarlijke hallucinaties kunnen overdag komen; maar, ze komen vooral ’s nachts. Verwonder je dus niet over de fantastische visioenen die je ogen lijken te zien. Overdag, wanneer de geest rust, ondervraag je geweten; het zal je met zekerheid zeggen dat de God die de mens schiep met een deel van zijn eigen verstand een grenzeloze goedheid bezit, en na de aardse dood dit meesterwerk in zijn schoot zal ontvangen. Doodgraver, waarom huil je? Waarom die tranen, gelijk aan die van een vrouw? Onthoud het goed; wij zijn op dit ontmaste schip om te lijden. Het is een verdienste voor de mens dat God hem in staat achtte zijn zwaarste smarten te overwinnen. Spreek, en, aangezien, volgens je dierbaarste wensen, men niet zou lijden, zeg waarin dan de deugd zou bestaan, het ideaal waarnaar ieder streeft, als je tong is zoals die van andere mensen.

— Waar ben ik? Heb ik mijn karakter niet veranderd? Ik voel een krachtige adem van troost mijn gerustgestelde voorhoofd strijken, als de lentebries die de hoop van ouderen nieuw leven inblaast. Wie is deze man wiens sublieme taal dingen heeft gezegd die de eerste de beste niet zou hebben uitgesproken? Wat een schoonheid van muziek in de onvergelijkbare melodie van zijn stem! Ik hoor hem liever spreken dan anderen horen zingen. Toch, hoe meer ik hem observeer, hoe minder oprecht zijn gezicht lijkt. De algemene uitdrukking van zijn trekken contrasteert opvallend met die woorden, die alleen de liefde voor God kan hebben ingegeven. Zijn voorhoofd, gerimpeld met enkele plooien, is getekend met een onuitwisbaar stigma. Is dat stigma, dat hem vóór zijn tijd heeft verouderd, eervol of schandelijk? Moeten zijn rimpels met eerbied worden aanschouwd? Ik weet het niet, en ik vrees het te weten. Hoewel hij zegt wat hij niet denkt, geloof ik toch dat hij redenen heeft om te handelen zoals hij deed, aangespoord door de verscheurde resten van een in hem vernietigde naastenliefde. Hij is verzonken in overpeinzingen die mij onbekend zijn, en hij verdubbelt zijn activiteit in een zware taak waaraan hij niet gewend is. Het zweet bevochtigt zijn huid; hij merkt het niet. Hij is droeviger dan de gevoelens die de aanblik van een kind in de wieg oproept. Oh! wat is hij somber!… Waar kom je vandaan?… Vreemdeling, sta mij toe je aan te raken, en laat mijn handen, die zelden die van levenden omklemmen, zich leggen op de edelheid van je lichaam. Wat er ook gebeurt, ik zal weten waar ik aan toe ben. Dit haar is het mooiste dat ik in mijn leven heb aangeraakt. Wie zou zo vermetel zijn te betwisten dat ik de kwaliteit van haar niet ken?

— Wat wil je van mij, terwijl ik een graf graaf? De leeuw wenst niet gestoord te worden wanneer hij eet. Als je dat niet weet, leer ik het je. Kom, haast je; doe wat je verlangt.

— Wat trilt onder mijn aanraking, mijzelf doen trillen, is ongetwijfeld vlees. Het is waar… ik droom niet! Wie ben jij dan, jij die daar bukt om een graf te graven, terwijl ik, als een luiaard die het brood van anderen eet, niets doe? Het is het uur om te slapen, of je rust op te offeren aan de wetenschap. In elk geval is niemand afwezig uit zijn huis, en men zorgt ervoor de deur niet open te laten, om dieven buiten te houden. Men sluit zich zo goed mogelijk op in zijn kamer, terwijl de as van de oude haard de zaal nog verwarmt met een restje warmte. Jij doet niet zoals de anderen; je kleren wijzen op een bewoner van een ver land.

— Hoewel ik niet moe ben, is het nutteloos de kuil verder te graven. Ontkleed mij nu; daarna leg je mij erin.

— Het gesprek dat wij beiden sinds enkele ogenblikken voeren, is zo vreemd, dat ik niet weet wat ik je moet antwoorden… Ik denk dat hij wil lachen.

— Ja, ja, het is waar, ik wilde lachen; let niet meer op wat ik zei. Hij zakte ineen, en de doodgraver haastte zich om hem te ondersteunen!

— Wat heb je?

— Ja, ja, het is waar, ik had gelogen… ik was moe toen ik de houweel neerlegde… het was de eerste keer dat ik dit werk ondernam… let niet meer op wat ik zei.

— Mijn mening wordt steeds sterker: dit is iemand met verschrikkelijke smarten. Dat de hemel mij de gedachte ontneemt hem te ondervragen. Ik blijf liever in onzekerheid, zozeer wekt hij mijn medelijden. Bovendien zou hij mij niet willen antwoorden, dat is zeker: het is dubbel lijden om je hart te openen in deze abnormale staat.

— Laat mij dit kerkhof verlaten; ik zal mijn weg vervolgen.

— Je benen dragen je niet; je zou verdwalen terwijl je loopt. Het is mijn plicht je een ruw bed aan te bieden; ik heb geen ander. Vertrouw op mij; want, gastvrijheid zal geen schending van je geheimen eisen.

— O eerbiedwaardige luis, jij wiens lichaam geen dekschilden heeft, eens verweet je mij bitter dat ik je sublieme intelligentie, die zich niet laat lezen, niet genoeg liefhad; misschien had je gelijk, want ik voel zelfs geen dankbaarheid voor deze man. Baken van Maldoror, waar leid je zijn stappen naartoe?

— Naar mijn huis. Of je nu een misdadiger bent, die niet de voorzorg nam zijn rechterhand met zeep te wassen na het plegen van zijn daad, en gemakkelijk te herkennen is door inspectie van die hand; of een broer die zijn zuster heeft verloren; of een onttroonde monarch, vluchtend uit zijn koninkrijken, mijn waarlijk grootse paleis is waardig je te ontvangen. Het is niet gebouwd met diamant en edelstenen, want het is slechts een armzalige hut, slecht geconstrueerd; maar, deze beroemde hut heeft een historisch verleden dat het heden steeds vernieuwt en voortzet. Als zij kon spreken, zou zij je verbazen, jij, die niets lijkt te verbazen. Hoe vaak heb ik, samen met haar, doodskisten voorbij zien trekken, met botten die spoedig vermolmd zouden zijn, meer dan de achterkant van mijn deur, waartegen ik leunde. Mijn ontelbare onderdanen groeien elke dag. Ik hoef geen periodieke volkstelling te houden om dat te merken. Hier is het als bij de levenden; ieder betaalt een belasting, evenredig aan de rijkdom van de woning die hij heeft gekozen; en, als een gierigaard zijn aandeel weigert te leveren, heb ik bevel, sprekend tot zijn persoon, te doen zoals de deurwaarders: er ontbreken geen jakhalzen en gieren die een goede maaltijd zouden willen. Ik heb zien opstellen, onder de vaandels van de dood, hij die mooi was; hij die, na zijn leven, niet lelijk werd; de man, de vrouw, de bedelaar, de zonen van koningen; de illusies van de jeugd, de skeletten van de ouderen; het genie, de waanzin; de luiheid, haar tegendeel; hij die vals was, hij die waar was; het masker van de hoogmoedige, de bescheidenheid van de nederige; de ondeugd gekroond met bloemen en de onschuld verraden.

— Nee, zeker, ik weiger je bed niet, dat mij waardig is, tot de dageraad komt, die niet lang zal uitblijven. Ik dank je voor je welwillendheid… Doodgraver, het is mooi om de ruïnes van steden te aanschouwen; maar, het is mooier om de ruïnes van mensen te aanschouwen!


Strofe 13

De broer van de bloedzuiger liep met trage passen door het bos. Hij bleef verscheidene keren staan, zijn mond openend om te spreken. Maar, telkens kneep zijn keel dicht, en dreef het mislukte streven terug. Eindelijk riep hij uit: “Mens, wanneer je een dode hond tegenkomt, omgekeerd, leunend tegen een sluis die hem verhindert weg te drijven, ga dan niet, zoals de anderen, met je hand de wormen nemen die uit zijn gezwollen buik komen, ze met verbazing bekijken, een mes openen, en er vervolgens een groot aantal van opensnijden, terwijl je tegen jezelf zegt dat jij ook niet meer zult zijn dan die hond. Welk mysterie zoek je? Noch ik, noch de vier zwempoot-vinnen van de zeebeer van de Noordelijke Oceaan, hebben het raadsel van het leven kunnen oplossen. Pas op, de nacht nadert, en je bent hier sinds de ochtend. Wat zal je familie, met je kleine zusje, zeggen als je zo laat aankomt? Was je handen, neem de weg terug die leidt naar waar je slaapt… Wat is dat wezen, daar aan de horizon, dat het waagt mij te naderen, zonder vrees, met schuine en gekwelde sprongen; en welke majesteit, vermengd met een serene zachtheid! Zijn blik, hoewel mild, is diep. Zijn enorme oogleden spelen met de bries, en lijken te leven. Hij is mij onbekend. Terwijl ik zijn monsterlijke ogen fixeer, beeft mijn lichaam; het is de eerste keer, sinds ik de droge tepels zoog van wat men een moeder noemt. Er is als een halo van verblindend licht om hem heen. Toen hij sprak, zweeg alles in de natuur, en voelde een grote siddering. Aangezien het je behaagt naar mij toe te komen, als aangetrokken door een magneet, zal ik mij niet verzetten. Wat is hij mooi! Het doet mij pijn het te zeggen. Je moet machtig zijn; want, je hebt een meer dan menselijk gelaat, droevig als het universum, mooi als zelfmoord. Ik verafschuw je zozeer als ik kan; en ik zie liever een slang, sinds het begin der eeuwen om mijn nek gewonden, dan jouw ogen… Hoe!… ben jij het, pad!… grote pad!… ongelukkige pad!… Vergeef me!… vergeef me!… Wat kom je doen op deze aarde waar de vervloekten zijn? Maar, wat heb je gedaan met je slijmerige en stinkende puisten, om er zo zacht uit te zien? Toen je van boven neerdaalde, op hoger bevel, met de missie om de verschillende rassen van bestaande wezens te troosten, stortte je neer op de aarde, met de snelheid van een wouw, je vleugels niet vermoeid door die lange, prachtige reis; ik zag je! Arme pad! Hoe dacht ik toen aan het oneindige, tegelijk met mijn zwakheid. ‘Weer een die superieur is aan degenen van de aarde, zei ik tegen mezelf: dat, door de goddelijke wil. Ik, waarom niet ook? Waartoe dient onrechtvaardigheid in de hoogste decreten? Is de Schepper waanzinnig; toch de sterkste, wiens toorn verschrikkelijk is!’ Sinds jij mij verscheen, monarch van vijvers en moerassen! bedekt met een glorie die alleen God toebehoort, heb je mij deels getroost; maar, mijn wankelende rede stort ineen voor zoveel grootheid! Wie ben je dan? Blijf… oh! blijf nog op deze aarde! Vouw je witte vleugels op, en kijk niet omhoog, met onrustige oogleden… Als je vertrekt, laten wij dan samen gaan!”

De pad ging zitten op zijn achterdijen (die zozeer op die van de mens lijken!) en, terwijl de naaktslakken, pissebedden en slakken vluchtten bij het zien van hun dodelijke vijand, nam hij het woord in deze termen: “Maldoror, luister naar mij. Merk mijn gelaat op, kalm als een spiegel, en ik geloof dat ik een verstand heb gelijk aan het jouwe. Eens noemde je mij de steun van je leven. Sindsdien heb ik het vertrouwen dat je in mij stelde niet beschaamd. Ik ben slechts een eenvoudige bewoner van het riet, dat is waar; maar, dankzij jouw eigen contact, door alleen het mooie in jou te nemen, is mijn rede gegroeid, en kan ik tot je spreken. Ik ben naar je toe gekomen om je uit de afgrond te trekken. Zij die zichzelf je vrienden noemen, kijken naar je, getroffen door ontzetting, telkens als ze je ontmoeten, bleek en gebogen, in de theaters, op de openbare pleinen, in de kerken, of terwijl je, met twee nerveuze dijen, dat paard aandrukt dat alleen ’s nachts galoppeert, terwijl het zijn spookachtige meester draagt, gehuld in een lange zwarte mantel. Laat deze gedachten varen, die je hart leeg maken als een woestijn; ze zijn heter dan vuur. Je geest is zo ziek dat je het niet merkt, en je denkt dat je in je natuurlijke staat bent, telkens als er waanzinnige woorden uit je mond komen, hoewel vol van een helse grootheid. Ongelukkige! Wat heb je gezegd sinds de dag van je geboorte? O treurig overblijfsel van een onsterfelijke intelligentie, die God met zoveel liefde had geschapen! Je hebt slechts vervloekingen voortgebracht, afschuwelijker dan de aanblik van uitgehongerde panters! Ik zou liever mijn oogleden dichtgeplakt hebben, mijn lichaam zonder benen en armen, een mens hebben vermoord, dan niet jij te zijn! Omdat ik je haat. Waarom heb je dit karakter dat mij verbaast? Met welk recht kom je op deze aarde, om hen die haar bewonen te bespotten, verrot wrak, heen en weer geslingerd door scepsis? Als je er niet van houdt, moet je terug naar de sferen waar je vandaan komt. Een bewoner van de steden hoort niet in dorpen te verblijven, als een vreemdeling. Wij weten dat er in de ruimten sferen zijn, ruimer dan de onze, wier geesten een intelligentie bezitten die wij ons niet eens kunnen voorstellen. Welnu, ga dan!… verlaat deze wankele grond!… toon eindelijk je goddelijke essentie, die je tot nu toe verborgen hebt gehouden; en, zo snel mogelijk, richt je opstijgende vlucht naar je sfeer, die wij niet benijden, hoogmoedige die je bent! want, ik ben er niet in geslaagd te herkennen of je een mens bent of meer dan een mens! Vaarwel dus; hoop niet de pad nog op je pad te treffen. Jij bent de oorzaak van mijn dood geweest. Ik vertrek naar de eeuwigheid, om je vergeving te smeken!”


Strofe 14

Als het soms logisch is om af te gaan op de schijn van verschijnselen, eindigt dit eerste gezang hier. Wees niet streng voor hem die nog maar zijn lier probeert: zij geeft een zo vreemd geluid! Niettemin, als je onpartijdig wilt zijn, zul je reeds een krachtige indruk herkennen, te midden van de onvolkomenheden. Wat mij betreft, ik zal mij weer aan het werk zetten, om een tweede gezang te laten verschijnen, binnen een tijdsbestek dat niet te veel vertraagd is. Het einde van de negentiende eeuw zal zijn dichter zien (echter, in het begin mag hij niet starten met een meesterwerk, maar de wet van de natuur volgen); hij werd geboren aan de Amerikaanse kusten, aan de monding van de Plata, daar waar twee volkeren, ooit rivalen, momenteel trachten elkaar te overtreffen in materiële en morele vooruitgang. Buenos Aires, de koningin van het Zuiden, en Montevideo, de kokette, reiken elkaar een vriendschappelijke hand, over de zilveren wateren van de grote estuarium heen. Maar, de eeuwige oorlog heeft zijn vernietigende rijk gevestigd over de vlakten, en oogst met vreugde talrijke slachtoffers. Vaarwel, grijsaard, en denk aan mij, als je mij hebt gelezen. Jij, jongeman, wanhoop niet; want, je hebt een vriend in de vampier, ondanks je tegengestelde mening. Als je de acarus sarcopte meetelt, die schurft veroorzaakt, heb je twee vrienden!